nummer van 20/05/2012 door Theo Ploeg

‘Collision’ van Loop

Over mijn eerste dansvloer-ervaring en Marthè Hoekstra

Zondag, gastblog! Vandaag het woord aan Theo Ploeg, medeoprichter van frnkfrt, een blog voor media- en popkritiek, journalist en recensent voor OOR en het Vlaamse tijdschrift Gonzo (circus) en als mediasocioloog verbonden aan de hogeschool van Amsterdam. In het nabije en verre verleden was hij hoofdredacteur van KindaMuzik, redacteur bij Opscene en zat hij een blauwe maandag bij De Subjectivisten. Tegenwoordig woont hij het in het centrum van Europa, Heerlen. Lekker rustig én dichtbij de Duitse Autobahn die hij het liefst onveilig maakt in een gitzwarte Opel Manta A. Althans, in z’n dromen.

Daar stond ik. Aan de grond genageld. Het gesprek dat ik voerde met Marthè Hoekstra verdween abrupt naar de achtergrond. De eerste gitaargolven van ‘Collision’ raakten mijn trommelvliezen met een ontstellend grote kracht. Niet zozeer in volume. Eigenlijk weet ik nog steeds niet wat me destijds zo raakte. Ach, de mooiste dingen zijn niet te verklaren. Woorden genoeg, maar om échte emoties beschrijven? Daar is taal niet voor gemaakt. Laat dat maar aan muziek over. En dus pakten die gitaargolven me bij de lurven en transporteerden ze me naar een vacuüm, precies op de plek waar ik eerder met Marthè stond te praten. Toen de roffelende drumbeat inviel was Marthè opgegaan in rook, evenals de andere aanwezigen op de dansvloer. Mijn benen volgenden de beat. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest: die jongen die danst alsof z’n leven ervan af hangt. Geen idee of ik de enige was. Per slot van rekening zat ik in dat vacuüm, in een trance. Voor even was ik elders. In de danshemel, of hoe je het ook wil noemen. Die avond in Fenix leerde ik dansen.

In de maat bewegen hoorde er niet bij

Dansen? Niets voor mij. Althans, vóór ‘Collision’. Ik sprong, duwde en headbangde op muziek, maar in de maat bewegen hoorde er niet bij. In feite speelde ik al die tijd de muzikant op het podium na. Deed ik tien jaar voor die eerste danservaring voor het eerst. Ik was negen en stond voor de spiegel met een omgekeerd tennisracket in de hand, mijn gezicht geschminkt in wit en zwart, uit de boxen van mijn rode Philips platenspeler klonk ‘Strutter’ van Kiss. Via Kiss belandde ik bij AC/DC, vertegenwoordigers van NWoBHM (Iron Maiden, Saxon, Tygers of Pan Tang, Jaguar) en de begintijd van Amerikaanse metal (Metallica, Anthrax, Slayer, Agent Steel). Midden jaren tachtig ontdekte ik D.R.I, Agnostic Front en Seven Seconds. Niet zo vreemd: hardcore en metal liepen rond die tijd steeds vaker in elkaar over. Soms draaide ik in het hardrock- en metalcafé aan het begin van de straat waar ik woonde.

Hitlergroet op de dansvloer

Dat viel niet bepaald mee. De muzikale omnivoor die ik tegenwoordig ben, werd langzaam zichtbaar. En tja, dat maakte draaien voor een nogal conservatief publiek een lastige opgave. De broertjes Van Baten – de schrik van het dorp, gekleed in leer en spikes en niet te beroerd om de Hitlergroet te brengen op de dansvloer – posteerden zich naast de dj-booth en beten me toe dat het volgende nummer er een van Slayer moest zijn, want “anders schoppen we je achter de draaitafels vandaan.” Natuurlijk luisterde ik. Misschien dat daar mijn popjournalistieke carrière ontstond: ik nam me voor voortaan mensen te overtuigen van de kwaliteit van de muziek die ik kon waarderen. Met dj’en stopte ik al snel. Naast de middelbare school was het destijds een dagtaak om op de hoogte te blijven van al die nieuwe muziek. Internet bestond niet en buitenlandse muziekbladen waren niet altijd voorhanden. Weten wat er speelde was destijds nog hard werken.

De ontdekking van ‘Collision’

1988 was een bijzonder jaar. Ik ontdekte Pixies, REM, Wipers en Red Hot Chili Peppers. Nothing’s Shocking van Jane’s Addiction hoorde ik voor het eerst bij Edwin Roes, die al diep in de Amerikaanse indie was gedoken. Interessante muziek, maar om eerlijk te zijn zat ik nog te veel vast aan het hardcore- en metalidioom.

En toen was er ‘Collision’.

Een nummer zonder begin en einde. Zonder refrein, met psychedelische gitaren, dat dansbare ritme, dat herhalen van woorden als een mantra. Leek nergens op. Na afloop liet ik de dj van de alternatieve dansavond in Fenix, Sittard de naam van de band en het nummer op een bierviltje schrijven. Een maand later had ik Heaven’s End, het debuut van Loop in huis. ‘Collision’ stond daar niet op, want enkel als single verschenen. Die was in Nederland lastig te krijgen. Jammer? Zeker. Lang treurde ik niet. Loop opende een nieuwe wereld voor me. Of eigenlijk: werelden. Bandleider Robert Hampson had connecties met de Birmingham-scene, waar Godflesh en Napalm Death onderdeel van uitmaakten. Muzikaal paste Loop uitstekend naast My Bloody Valentine en Spacemen 3. Ook Happy Mondays ontdekte ik via de band uit Leeds.

Dansmuziek

En ik ging dus dansen. Niet dat ik daar goed in ben geworden. Dansen is hard werken en vooral hopen dat ik vergeet dat dans. Bewust het ritme van muziek volgen zorgt ervoor dat je altijd denkt dat je bewegingen en het ritme nét niet synchroon lopen. De keren dat het me lukte om mijn controle te verliezen op de dansvloer waren goddelijk. Vaker lukte me het niet. Dansen bracht me uiteindelijk bij elektronische dansmuziek. Die was er in 1988 ook al, maar ik luisterde er niet naar. Was er nog niet rijp voor. ‘Collision’ wees de weg, Happy Mondays en New OrderTechnique is een van de beste platen ooit – namen me bij de arm. Drum’n'bass rondde af.

Marthè

Vanaf die tijd ontwikkelde de muzikale omnivoor zich in mij. Voor Opscene schreef ik vanaf begin jaren negentig over indie- en noiserock, in Bassic Groove over drum’n'bass, breakbeat en big beat. Nu, bij OOR, is elektronische muziek mijn specialiteit. Dat heeft ‘Collision’ toch maar mooi voor elkaar gekregen. Marthè, die een minuut of vijf in rook opging, begreep er niets van. Tot zijn dood – hij stierf onverwachts op veel te jonge leeftijd – bleef hij bij de rockgitaar. Hij baste nog samen met Metallica toen de band een bezoek bracht aan mijn geboortedorp Brunssum. Toch wist ik hem later geïnteresseerd te krijgen voor big beat en Amerikaanse breakbeat. Chemical Brothers en Crystal Method waren z’n favorieten. Toen ik naar het westen trok zag ik hem steeds minder. Maar als? Dan was het altijd zoals vroeger. Zoals destijds in Fenix. Misschien is ‘Collision’ zo belangrijk voor me omdat het me herinnert aan Marthè. Ik mis hem nog elke dag.

Tags: , , ,

nummer van 19/05/2012 door Gabriela van der Lans

‘Scarecrow on a killer slant’ van Liars

Yuri Landman, de Moodswinger en wat geweld

Yuri Landman. De Nederlandse kunstenaar die zijn carrière begon als striptekenaar en later een manier vond om, op zijn manier, mee te bouwen aan het geluid van zijn favoriete bands. Landman had enig succes als striptekenaar, maar gaf na het winnen van prijzen voor zijn autobiografische stripromans het tekenen op, volgde een opleiding meubelmakerij en houtbewerking en ging weer tijd steken in één van zijn andere liefdes: muziek. Wat erna volgde lijkt op een simpele som der delen: Landman zette zijn meubelmakerij-opleiding in voor muziek en tegenwoordig bouwt hij zijn eigen muziekinstrumenten. Vaarwel stripwereld, hallo rock´n roll.

Aanvankelijk maakte hij instrumenten voor zichzelf en was het vooral een persoonlijke ontdekkingstocht naar klanken, met als hoogste doel het vinden van de zogenaamde ‘koortsklank’ (een geluid dat Landman hoort tijdens koortsaangewakkerde hallucinaties). Maar inmiddels spelen ook (of vooral) anderen met zijn ingenieuze snaarinstrumenten: Blood Red Shoes, the Dodos, dEUS, the Veils. Voor een van zijn bekendste klanten, Lee Ranaldo van Sonic Youth, maakte hij een Moonlander (links op de afbeelding rechts). Er zijn maar twee Moonlanders op de wereld: de ene is van Ranaldo, de ander houdt Landman zelf.

Een ander instrument waar Landman bekend om staat is de Moodswinger (rechts op de afbeelding). De Moodswinger heeft net als de Moonlander veel weg van een elektrische gitaar maar hoort in werkelijkheid in de categorie van de citers (instrumenten met klankbodems die in hun geheel bespannen zijn met snaren). Het categorische verschil zit in het feit dat de Moodswinger een derde brug heeft en daarom geen gebruik maakt van de gitaarfretten. Door de brug te verplaatsen, deel je de gitaarsnaren in tweeën en als je vervolgens de snaar aanslaat aan de kant waar de pickup niet zit, maak je een geluid waar zowel een boventoon als een grondtoon in zit. Dat geluid is, afhankelijk van de breukverhouding die je maakt in termen van de snaarverdeling, consonant of dissonant.

Samen met de Moodswinger reist Landman tegenwoordig de wereld over om workshops over te geven over de werking van het instrument en leert hij mensen hoe ze binnen vier uur een eigen, versimpelde, versie van de Moodswinger kunnen maken (de Home Swinger). Zowel de Moodswinger als de Home Swinger maken sinds 2010 deel uit van de collectie van het Musical Instrument Museum, in Phoenix, Arizona. Zijn carrière als striptekenaar ligt ver achter hem, maar Landman zal geen spijt hebben.

Waarom hebben we het eigenlijk over Landman en zijn Moodswinger? Om te zeggen dat een band genaamd Liars ook gebruik maakt van de Moodswinger en dat zij ervoor gezorgd hebben dat je net hebt geluisterd naar één van de lompste (en leukste) drie-noten riffs van de afgelopen tien jaar.[1]

Liars staat 8 juni in Tivoli 

  1. [1] Landman maakte zijn eerst Moodswinger zelfs speciaal voor de gitarist van Liars, Aaron Hemphill.

Tags: , , , ,

nummer van 18/05/2012 door Arja van den Bergh

‘Friday I’m in love’ van The Cure

Soundhound anno 1992

Zelfbenoemde schrijvers die zeggen weinig tot geen boeken te lezen om niet beïnvloed te raken. Muzikanten die radio en televisie mijden om hun zogenaamde originaliteit en puurheid te bewaken. Deze mensen bestaan. En ze leven onder een steen. Dat moet wel, want onder een steen kunnen weinig dingen je nog beïnvloeden. Ik adviseer deze mensen dan ook vooral onder hun steen te blijven leven, opdat de puurheid en originaliteit van hun creaties gewaarborgd zal blijven. Wij behoren hen naderhand uiteraard te bejubelen: wat een creaties, mensen die leefden onder een steen! Zo origineel en wars van die malle invloeden!

Uhm, niet dus

Alles om je heen heeft invloed op je. Dat betekent ook weer niet dat je níet bang mag zijn om onbewust iets over te nemen van een ander zonder er rekenschap van te geven. De aanklachten kunnen je tegenwoordig om de oren vliegen, helemaal als je als band miljoenen verdient (ik kijk naar jullie, Coldplay). Nee, een band mag best zijn idolen eren, een knipoog maken, of een gelauwerd thema beter uitwerken, maar iets dat te letterlijk is gejat wordt bestraft. In hoeverre er sprake is van jatwerk is echter niet altijd makkelijk te bepalen, omdat ja, alles nu eenmaal invloed op je kan hebben.

Hm... heb ik dit echt zelf verzonnen?!

Paniek

Heb ik dit zelf bedacht of heb ik dit onbewust van iemand overgenomen? Het was een vraag die ook Robert Smith, zanger van new wavegroep The Cure, tergde tijdens het schrijven van ‘Friday I’m In Love’. Over de akkoordenprogressies in het nummer was hij meer dan tevreden, maar, had hij dit op deze manier niet al eerder gehoord? Had hij het überhaupt wel in zich om dit zelf te bedenken? Paranoia maakte zich van hem meester en de drugs die hij destijds tot zich nam zullen daarbij ongetwijfeld een handje hebben geholpen. Drugs of niet, ik kan me best voorstellen dat hij in paniek raakte. Hij had iets goeds geschreven, iets waar hij blij mee was en aan de wereld wilde laten horen. Maar damn it, waarom moest het nou toch zo bekend klinken? Smith was ervan overtuigd dat hij het al dan niet onbewust van een ander liedje had gejat. En daar zat-ie dan in 1992, zonder beschikking over een app als Soundhound, waarmee hij binnen een paar seconden had kunnen weten van welk nummer hij de melodie zojuist had ingezongen.

Smith en zijn telefoon

Dus wat deed Smith om zijn paranoïde gedachten te sussen? Volgens dit interview belde hij iedereen op die hij kende en zong hij steeds een stukje uit ‘Friday I’m In Love’ voor, met de vraag of ze de melodie écht niet al eerder hadden gehoord. Soundhound anno 1992, zeg maar.

I don’t care if Monday’s blue
Tuesday’s gray and Wednesday too
Thursday I don’t care about you
It’s Friday, I’m in love

Je kunt het je zo voorstellen. Smith, een verward hoopje mens waarvan alleen zijn makeup enige logica vertoonde, zwaarmoedig naast de telefoon zittend, met op schoot een klein zwart verfomfaaid boekje waartussen losse velletjes met onleesbare telefoonnummers prijkten.

Herken je het niet, Billy? Niet? Ok, thanks man. Bel ik effe verder.

Nooit gehoord? Weet je het zeker, Linda? Hm. Ik zou zweren dat… Je vindt het wel heel goed? Cool!

…herkenbaar hè Will?! Welk nummer dan? Oh, toch niet. Niet herkenbaar, nee? Nou, fijn…

Na een lange telefoonsessie was Smith dan eindelijk gerustgesteld. Niemand had de melodie of het liedje ooit eerder gehoord. Dat betekende dat Smith alles zelf had geschreven. Dat het een puur en origineel nummer was. Dat hij niet de geschiedenis in zou gaan als dief. Was elke band maar zo zorgvuldig (ik kijk naar jullie, Coldplay).

Tags: , , , , ,

nummer van 17/05/2012 door Johan Vogels

‘Wee’ van The Quintet

Vijf grootheden op één podium

De Massey Hall in Toronto was maar voor een kwart gevuld die 15mei in 1953. De organisator had geen rekening gehouden met de kampioenswedstrijd van de boksende zwaargewichten Rocky Marciano en Jersey Joe Walcott diezelfde avond. Jammer, want op het podium stond een supergroep te spelen die bestond uit het beste wat jazz te bieden had: Dizzy Gillespie (trompet), Charlie Parker (altsaxofoon), Bud Powell (piano), Charles Mingus (contrabas) en Max Roach (drum). Een unieke aangelegenheid ook, want ze zouden nooit meer samen op een podium staan.

Stuk voor stuk hadden de mannen de jaren daarvoor faam gemaakt. Ze stonden aan de basis van de bebop; het predikaat dat jazz kreeg nadat het begin jaren veertig veranderde van populaire en dansbare muziek tot een uitdagendere vorm voor muzikanten. Luistermuziek, waarbij vreemde en explosieve ritmes samen met voor die tijd niet gangbare harmonieën tot een totaal nieuwe ervaring leidden. Pas na de bebop kwam de cool jazz die we allemaal kennen van Miles DavisKind Of Blue.

The Quintet, Jazz At The Massey Hall (1953)

Het concert werd gelukkig opgenomen, zodat veel meer mensen dan die paar honderd aanwezigen, konden horen wat de jazzgrootheden op dat podium uitspookten. Mingus zelf bracht de plaat uit op zijn Debut-label. Voor de gelegenheid noemde hij de band The Quintet. Tegenwoordig wordt de plaat, Jazz At The Massey Hall, gerekend tot een van de allerbeste jazzplaten ooit.

Iedereen zijn momentje

Iedereen komt aan de beurt op de plaat. Dat is bijvoorbeeld goed te horen in ‘Wee’, een compositie van Gillespie. Na een harde “Taaaat”, beginnen Gillespie en Parker aan een harmonieus stukje. Maar al na 20 seconden is Parker on his own. Hij speelt die dag op een geleende en plastic saxofoon, omdat hij zijn eigen instrument niet bij zich had. Dit trouwens tot grote ergernis van Gillespie, die op 1:37 de hoofdrol overneemt. Op 2:27 lokt hij nog een applaus uit van het publiek als hij die bolle wangen van hem bijna opblaast. Een kleine minuut later alweer mag Powell laten horen waarom hij mee is. Een mooi moment is als Parker op 4:29 enkele onverstaanbare kreten uitslaat, waarschijnlijk om Powell nog eens extra aan te sporen. En dan is het woord aan een van de coolste drummers ooit, Max Roach. Geen moment houdt hij in. Integendeel, hij zweept de boel weer op, het publiek juicht, en als dan zijn slagen op het drumstel vertragen, knallen Parker en Gillespie er nog een keer samen in om het liedje weer tot een eind te brengen.

Naar hun gage konden ze trouwens fluiten, vanwege het lage bezoekersaantal. Wel kregen ze ongedekte cheques. Tegen de tijd dat ze daarmee het geld voor het optreden kon innen, waren er alweer jaren voorbij. Hopelijk hebben ze wat overgehouden aan de plaatverkoop.

Tags: , , , , , , , ,

nummer van 16/05/2012 door Gijs Wilbrink

‘Walt Whitman’s Niece’ van Billy Bragg & Wilco

Ik snap er nog steeds niets van

Mijn favoriete album dat op Record Store Day 2012 uitkwam? Mermaid Avenue: The Complete Sessions. Het bundelt de albums Mermaid Avenue (1998) en Mermaid Avenue II (2000), albums waarop Billy Bragg en Wilco ongebruikte teksten van Woody Guthrie omzetten in fantastische americana- en folksongs. Het was een idee van Woody’s dochter om de Britse punktroubadour samen te brengen met de Amerikaanse alt. country-legenden, nadat ze een aantal kladblokjes van haar vader vond met bij elkaar zo’n duizend songteksten. Ik vind dit een goed idee: Bragg, Guthrie en ook Jeff Tweedy van Wilco zijn helden van me.

Op The Complete Sessions vinden we bovendien een nieuwe cd met onuitgebracht materiaal, die inmiddels al officieus omgedoopt is tot Mermaid Avenue III. En om het feest compleet te maken vinden we een heuse making of-dvd in het pakketje.

Een sterk verhaal

Dat is allemaal prima nieuws, maar ik ben eerlijk gezegd een beetje blijven steken bij de openingstrack van Mermaid Avenue I. Ik snap ondertussen nog steeds niets van het eerste nummer dat de wereld van deze collaboratie te horen kreeg. De tekst van ‘Walt Whitman’s Niece’ suggereert een sterk verhaal om van te smullen, maar laat ons tegelijkertijd in het ongewisse over enkele cruciale wie-wat-waar-waarommetjes. Het enige dat we te weten komen is dat aan het eind van het verhaal iemand op een bepaald moment op de schoot van een bepaald meisje belandt:

Last night or the night before that (I won’t say which night)
A seaman friend of mine (I’ll not say which seaman)
Walked up to a big old building (I won’t say which building)
And would not have walked up the stairs (not to say which stairs)
If there had not have been two girls (Leaving out the names of those two girls)

I recall a door, a big long room (I’ll not tell which room)
I remember a deep blue rug (but I can’t say which rug)
A girl took down a book of poems (not to say which book of poems)
As she read I laid my head (and I can’t tell which head)
Down in her lap (and I can mention which lap)

Hé Woody, zeg dan niks! Zo komen we natuurlijk geen steek verder. Bij iedere zin zet de normaal gezien zo uitgesproken folkzanger ons voor een dilemma: speelt het verhaal zich nu gisteravond of eergisteravond af? En is de protagonist nu zeeman A op avond A, of zeeman B op avond A, of zeeman A op avond B, of zeeman B op avond B, of was er misschien nog een zeeman C? Zelfs als we ervan uitgaan dat we bij elke bewering maar uit twee zaken te hoeven kiezen, ontspoort het verhaal alsnog compleet en hebben we aan het eind van het tien zinnen tellende couplet maar liefst 210 = 1024 schoten waarop één van de vier zeemannen op één van de twee avonden heeft gelegen. Een overzichtelijk stroomdiagram biedt helaas maar ruimte voor de eerste vier zinnen, maar illustreert het probleem van deze tekst wat beter dan woorden:

Klik voor leesbaar

Zoals een andere held van mij ooit schreef: het kompas is verdwenen. We kunnen nu twee dingen doen: het nummer overslaan en ons te buiten gaan aan het gigantische oeuvre dat het drietal ons te bieden heeft, of ervoor kiezen om ‘Walt Whitman’s Niece’ nog een keer of duizend te draaien en het mysterie tevergeefs proberen te ontrafelen. Ik koos ooit voor optie 2, en moet zeggen dat het prima bevalt. Voor je het weet zing je uit volle borst mee over hypothetische zeelui, gebouwen, trappen en meisjes, en ben je verkocht. Want alleen dat laatste kan ik je garanderen wanneer het dit liedje aangaat.

Tags: , , , , , , , ,

nummer van 15/05/2012 door Martijn Koetsier

‘Burn The Witch’ van Queens Of The Stone Age

Gastmuzikanten zijn er om te werken, niet om mee te pronken

Mijn favoriete plaat van Queens Of The Stone Age? Niet Songs For The Deaf, al was dat voor mij wel de eerste kennismaking met de destijds “nieuwe band” van Josh Homme. Kyuss luisterde ik weliswaar al tijdens mijn tienerjaren, maar de groep waar Homme de laatste jaren de status van megarockster mee bereikte had toch drie platen en een hit als ‘No One Knows’ nodig om me te bereiken. Maar hoe goed en iconisch die plaat ook is, tot op de dag van vandaag is het Lullabies To Paralyze die het meest uit mijn platenkast komt. Ik hou van de onbezonnenheid van de titelloze debuutplaat, de eerste blauwdruk voor het latere werk die Rated R was en natuurlijk ook van de bijna akelige perfectie van die rode hitplaat. Lullabies To Paralyze heeft echter iets ongrijpbaars waardoor het album me na zeven jaar nog steeds blijft fascineren.

Geschiedenisles, opletten Josh!

Maar daarover later meer. Eerst eens even een kort geschiedenislesje, waar je bij Queens Of The Stone Age niet aan ontkomt. Vandaag de dag lijkt de band misschien een vast gegeven in het rocklandschap, maar de groep kent nogal wat zijsporen en vertakkingen in de weg naar hun huidige top. Genoeg voor nog een stuk of wat Nummers van de Dag, dus ik houd het vandaag bij de kortste en meest belangrijke route. Die begint in 1988 in het zinderend hete Palm Desert, Californië. Gitarist Josh Homme richt hier samen met zanger John Garcia Katzenjammer op, de band die zich later onder de naam Kyuss zou ontwikkelen tot een van de grondleggers van de stonerrock. Kyuss brengt vier albums uit maar valt uit elkaar nadat drummer Brant Bjork in 1995 de groep verlaat.

“You guys are like the queens of the Stone Age”

Hierop vertrekt Josh Homme naar Seattle om zich als slaggitarist aan the sluiten bij de Screaming Trees van Mark Lanegan. Een leuke klus, maar Homme is te eigengereid en avontuurlijk om zich binnen het keurslijf van een andere band te laten wurmen. Hij houdt het een jaartje vol en begint dan met bassist Van Conner (Screaming Trees), drummer Matt Cameron (Soundgarden, Pearl Jam) en gitarist John McBain (Monster Magnet) een nieuwe band. Aanvankelijk onder de naam Gamma Ray, totdat de Duitse metalband die al sinds 1989 onder die naam opereert aan de deur klopt en met een rechtszaak dreigt. Peinzend over een nieuwe naam denkt Homme terug aan de studiosessies van Kyuss met producer Chris Goss en herinnert zich plots hoe die destijds Kyuss omschreef: “You guys are like the queens of the stone age.” Om het tijdperk met Kyuss af te sluiten en het nieuwe van Queens Of The Stone Age in te luiden brengen de twee bands in 1997 nog een split-ep uit. Hommes avontuur om de wereld te gaan veroveren kan nu pas echt beginnen.

Die zegetocht begint met Queens Of The Stone Age (1998) en Rated R (2000) al niet verkeerd, maar raakt pas echt in een stroomversnelling als in 2002 Songs For The Deaf uitkomt. Dat Dave Grohl de plaat als een beest voldrumt helpt natuurlijk om het album onder de aandacht te brengen, maar de echte impact van de plaat blijkt wel uit het feit dat er tegenwoordig nog steeds bandjes opstaan en succesvol worden met de sound die op Songs For The Deaf voor het eerst te horen was. Het is nog steeds een plaat die ik met veel bewondering luister, maar nog veel intrigerender vind ik het album dat daarna in 2005 uitkwam: Lullabies To Paralyze. Ik heb vaak nagedacht over het waarom daarvan en ben nog steeds niet echt tot een eenduidig antwoord gekomen. Behalve ‘Little Sister’ kent het geen echte hits en is het met een uur aan materiaal ook nog een behoorlijke zit. Het blijft echter wel een plaat waar ik steeds weer nieuwe dingen in ontdek, ook zeven jaar na dato.

Gastmuzikanten in alle hoeken en gaten

Zo kun je al behoorlijk wat tijd kwijt zijn aan het ontdekken van alle gastmuzikanten op de plaat. Die staan natuurlijk allemaal netjes vermeld in het boekje, maar het zijn er zo veel en in zulke verschillende gedaantes dat het alsnog een mooi gepuzzel is. De stem van Mark Lanegan tijdens het openingsnummer ‘This Lullaby’ is natuurlijk makkelijk te herkennen, maar probeer de stemmen van Brody Dalle (The Distillers) en Shirley Manson (Garbage) maar eens uit elkaar te halen in ‘You Got a Killer Scene There, Man…’. Het nummer van vandaag is er ook een dat wordt gekenmerkt door interessante gastbijdrages, al zijn die niet moeilijk te ontwaren. Het mooie van dit soort samenwerkingen bij QOTSA is vooral ook dat ze nooit worden gedaan om maar een naam van een bekende gastmuzikant te kunnen noemen, maar altijd in dienst van het nummer staan. Vaak gaat een track aan je voorbij zonder dat opvalt dat er iemand meespeelt die niet vast in de band zit. Zo ging het bij mij in ieder geval met ‘Burn The Witch’. Een nummer dat doet denken aan de jams die te vinden zijn op The Desert Sessions, heerlijk wegluistert als je languit op de bank mee wordt gezogen in de spacey wereld van QOTSA. En waar achteraf dan gewoon Billy Gibbons van ZZ Top op blijkt te zingen en gitaar te spelen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , ,

nummer van 14/05/2012 door Kris Coorde

‘Memphis Soul Stew’ van King Curtis

Uitgekookt recept voor succes

Elk nummer maakt gebruik van een formule, een vast patroon of een handig trucje. Vaak hoor je dezelfde dingen langskomen omdat deze succesvol bewezen is. Toch doen muzikanten graag wat mysterieus over het schrijven van een song. Om hun aura als bijzonder artiest intact te houden? Om anderen niet op ideeën te brengen? Om een mythe van “de magie van het moment” te creëeren? Ik weet het niet. King Curtis draaide er niet om heen. ‘Memphis Soul Stew’ is het receptenboek voor succes. “Dit is zo populair, dat iedereen wilt weten wat we er in doen,” zegt Curtis Ousley aan het begin van het nummer, terwijl de bas hem begeleidt.

Give me about a half a teacup of bass
Now I need a pound of fatback drums
Now give me 4 tablespoons of boiling Memphis guitars
This goin’ taste alright
Now just a little pinch of organ
Now give me a half a pint of horn
Place on the burner and bring to a boil

Koning saxofoon

Al snel bereikt de band van King Curtis het kookpunt en ontaardt ‘Memphis Soul Stew’ in een pittige instrumentale jam. Stevige soul food uit The Deep South, geserveerd door een Texaan en zijn saxofoon, het instrument waarmee King Curtis groot mee is geworden. Echt bekend is Ousley echter niet geworden. Misschien was hij daarvoor te weinig zanger/frontman/entertainer en teveel bandlid. Maar een groot muzikant en liedjesschrijver was hij zeker. Net zoals de orgelspeler Billy Preston (waar ik eerder al over schreef), leek King Curtis vaak op de juiste tijd en plek te zijn en kwam hij in contact met de juiste mensen. Oh ja, hij had natuurlijk ook ontzettend veel talent. Kijk maar eens naar zijn cv:

- Hij speelde de solo op ‘Ýakety Yak’ van The Coasters.
- The Kingpins, de vaste band van Aretha Franklin, werd geleid door Curtis.
- Met diezelfde band opende King Curtis voor The Beatles toen The Fab Four in ’65 in het New Yorkse Shea Stadium speelde.
- Hij produceerde platen samen met de legendarische Jerry Wrexler.
- Samen met The Rimshots nam hij de begintune voor Soul Train op.

King Curtis Ousley’s carrière was rijk gevuld, maar veel te kort. Zoals Gijs eerder al kort vermeldde, werd de saxofonist neergestoken door een junk. Twee verslaafden waren aan het gebruiken op de trap van het huis en werden door de heer des huizes aangesproken. De woordenwisseling laaide op en er onstond een gevecht waarin Ousley in de borst gestoken werd. Als laatste wanhoopsdaad ontfutselde hij het mes van de junk en diende hem ook een paar messteken toe. Curtis Ousley overleed een uur later in het ziekenhuis.[1] Gelukkig heeft hij ons wel het recept voor een fantastische funky Memphis soul stew achter gelaten.

  1. [1] De junk werd naar hetzelfde hospitaal gebracht waar hij door de politie gearresteerd werd.

Tags: , , , , , ,

-->